in·ter·view [intervjoe:] het; o -s vraaggesprek met het doel om het gehoorde te publiceren of uit te zenden. De manier om wederhoor te omzeilen.
'Soms zit ik gewoon te wachten tot ik iets kan stelen'
Als studentchauffeur van Martin Bril reed hij heel Nederland door. Veel diepzinnige gesprekken over literatuur hadden ze niet, het ging meer over lekker eten en goede muziek. Toch gaf Bril hem de gouden tip een kort verhaal op te sturen naar de Gids. Nu is hij een debuterend schrijver die al aan zijn vierde druk toe is. Philip Huff donderde zijn boek Dagen van Gras, niet zomaar in de literaire vijver, hij creëerde voor zijn hoofdpersoon een identiteit op Facebook en Twitter. Dat hielp. ‘Om als debutant boven te komen drijven moet je iets doen om op te vallen en een personage tot leven wekken vereist niet meer dan een facebookpagina met een paar voorkeuren.’ Het bleek een gratis manier om zijn boek te promoten die beter werkte dan een goede recensie in NRC Handelsblad.
De titel: die leende hij van Spinvis na wat shuffelen door zijn Ipod. Want lenen is geen stelen. ‘Zo is er meer van wat ik heb gezien, geleend en gebruikt. Soms zit ik gewoon te wachten tot ik iets kan stelen. Je hoort een zin op straat of in de tram en dat is het begin van een verhaal. Ik voel dan dat ik die persoon ben. Of ik nou een jong ventje ben of een pedoseksueel, ik vertel dat verhaal uit mezelf. Dat klinkt zweverig -uit mezelf? wat lul ik nou- maar zo werkt het dan.’
Philip Huff zit naast zijn boekenkast en dat komt goed uit. Bij bijna ieder antwoord pakt hij een boek uit de kast om zijn antwoord te illustreren. Literaire meesterwerken staan op ooghoogte, biografieën onderaan in de kast en Heleen van Royen ligt verstopt achter de boeken. Het debuut van deze 25-jarige schrijver, Dagen van gras, werd al een stuk of tweeduizend keer verkocht. Hoofdpersoon Ben van Deventer is een 18-jarige jongen die houdt van gitaarspelen, schaken en blowen. Zijn beste vriendje Tom is in alles net iets stoerder dan hij. Ben is net ontslagen uit een kliniek waar hij gedwongen opgenomen was vanwege een psychose en neemt een boek de tijd om terug te kijken op zijn leven.
Huff is zelf een lange man met blond haar en een baardje van een paar dagen. Precies zo’n baardje als hip is bij mannen van in de twintig. Een spraakwaterval die stellig is in zijn overtuigingen, maar zichzelf net zo vaak verbetert of in twijfel trekt. Lezers vroegen Huff of hij de titel Dagen van gras wilde verklaren. De een zag Ben in de weilanden met veel wiet, de andere lezeres dacht juist aan de brief die Ben van zijn vader krijgt waarin hij schrijft dat hij er straks niet meer zal zijn in levende lijve maar wel in het gras om hem heen. ’Ik vond het allebei wel mooie gedachten. De waarheid is dat ik terugfietsend van een bespreking over de titel bij de uitgeverij –en daar kwamen we niet uit – op mijn ipod het nummer Dagen van gras van Spinvis voorbij hoorde komen. Ik dacht terug aan het concert in Berlijn waar ik hem zag spelen in de tijd dat ik aan mijn boek schreef. Ik dacht: natuurlijk, dit moet ‘m zijn.’
Huffs debuut was eerst als ebook te bestellen via internet. Een paar dagen later konden lezers ook van een papieren versie genieten. Hij vindt zijn debuut zelf een bescheiden boekje dat toevallig 180 pagina’s lang is. Een boek dat, zoals zoveel debuten, gaat over opgroeien. Hij voelt zich wel op zijn gemak in deze traditie. ‘Ik heb niet geprobeerd een allesomvattende roman te schrijven. Het is gewoon een slice of life van een jongen. Toen ik die leeftijd had las ik Red ons Maria Montanelli van Herman Koch. Ook zo’n coming of age-roman waarin een klein deel van de wereld – Amsterdam Oud-Zuid – wordt beschreven, maar wel zo, dat ik het gevoel had: die jongen heeft wat meegemaakt, en dus wat te vertellen.’
Huff publiceerde al korte verhalen in ‘De Gids’ en ‘Hollands Diep’. Hij schrijft net zo gemakkelijk over een 18-jarig onzeker blowend ventje als over een pedoseksueel. Hij verplaatst zich in een man van 35 die op zijn overbuurvrouw geilt of een jongetje dat te maken heeft met huiselijk geweld.
In Dagen van gras worden stukken tekst afgewisseld met flarden uit songteksten, veelal The Beatles. Huff wilde zijn hoofdpersoon Ben van Deventer iets geven waar hij helemaal gek van is. Dit had net zo goed vliegvissen kunnen zijn. Volgens hem is het gewoon een metafoor om het personage neer te zetten.’ Of je het boek kunt lezen als je niets weet van The Beatles, wordt hem vaak gevraagd. ‘Ik wilde een band waar veel mensen direct een beeld bij hebben. Het blijkt nu dat toch niet bij iedereen direct een liedje in het hoofd gaat spelen als ze de songtekst zien. Mijn opzet is dus niet geslaagd maar ik geloof niet dat het erg is. Ook zonder parate muziekkennis snap je de essentie: Ben vertelt via The Beatles over zichzelf.’
Voor internettijdschrift Hard Hoofd schrijft hij wekelijks een blog namens de twintigers die volgens hem te weinig aan het woord gelaten worden. Hij gelooft niet in één geluid uit een generatie – ‘The Catcher in the Rye definieert bijvoorbeeld niet de jaren vijftig maar meer hoe het is om vijftien te zijn’- maar windt zich toch op over hoe zijn generatie gepresenteerd wordt. ‘Ik voel me totaal niet vertegenwoordigd door de types van BNN. Als je twintigers op tv ziet, zie je alleen maar Yolanthe, Filemon en Nicolette die eieren in elkaars gezicht gooien.’ Huff maakt zich hier duidelijk druk om en ook Piet de kanariepiet in de kamer kwettert druk mee. ‘Lekker gek de kutquiz doen is maar één kleurtje van de confetti – maar wel de kleur waar ik me totaal niet bij thuis voel. De hele plurifomiteit, alle kleurtjes van de confetti worden niet gezien in de media. Wat mist is een normale slimme rustige twintiger die onze generatie vertegenwoordigt in andere debatten. Maar die krijgen we niet te zien. Waarom zou Halina Reijn als tafeldame in De Wereld Draait Door een mening moeten hebben over politiek of voetbal? Zij heeft er voor gestudeerd om actrice te zijn, laat haar dat dan lekker doen. Ik zou liever zien dat er mensen op het spreekgestoelte zitten die echt ergens over hebben nagedacht. Maar dit mag ik natuurlijk niet zeggen, want dan klink ik weer zo fokking elitair.’
‘Het mag allemaal wat kritischer wat mij betreft. En ik hoef ook helemaal geen fotootjes van journalisten in de krant, het interesseert me geen fuck wat voor gympen Volkskrant-journalist Jean Pierre Geelen aan heeft. Natuurlijk jeuken mijn handen dan soms en zou ik best zelf mijn mening willen laten horen. Een beetje inhoudelijk zeiken. Maar ik probeer een advies op te volgen dat ik kreeg van een vriend: niet zo over opwinden en gewoon zelf mooie dingen maken. Want er is maar één ding dat ik wil en dat is goede verhalen schrijven.’
De stijl in Dagen van gras is heel specifiek, maar echt. Hoofdpersoon Ben beschrijft zijn leven in korte zinnen en staccato spreektaal. ‘Maten, mijn reet. Echt: mijn reet.’ Typische tussenwoorden en uitdrukkingen maken duidelijk dat hier een puberende jongen aan het woord is. Maakt dat het een boek alleen geschikt voor jongeren? ‘Het is een boek voor mensen die jong zijn of jong zijn geweest, iedereen dus. Maar ook een moeder met een puberende zoon kan veel herkennen en Frits Spits, die 65 is, kon het ook waarderen.’
Het boek is helemaal geschreven in de ik-persoon. Door dit perspectief zit je vast aan de visie van de hoofdpersoon. ‘En dat is precies de uitdaging. Je geeft een personage een eigen manier van vertellen en een wereldbeeld. Die vorm van toneelspelen is wat het schrijven interessant maakt. De ik-persoon laat ook dingen weg in het verhaal die hij liever niet wil vertellen. Zo komt de lezer pas later achter cruciale feiten en wordt de psychotische manie niet tot in verwarrend detail beschreven. De kritiek dat daardoor een psychose niet waarheidsgetrouw is beschreven, is misschien wel waar maar niet terecht. De ik-verteller zal zelf zijn gekte niet graag helemaal prijsgeven. Daarbij komt dat het opschrijven van een psychose niet te lezen is. Voskuil heeft dit geprobeerd in Requiem voor een vriend, door de brieven van een psychotische vriend over te nemen: dat is een totaal onleesbaar boek.’
‘Ik zie schrijven wel echt als mijn beroep maar moet er nu nog klusjes naast doen om mijn huur te kunnen betalen. Tijdens mijn studententijd was ik chauffeur van Martin Bril. Natuurlijk heeft hij me beïnvloed maar meer in praktische dan in literaire zin. We brachten veel tijd door in de auto maar spraken niet over literaire bullshit. Foeteren op de radio en waarom Raymond Carver zo goed is. Niets over karakterontwikkeling of thematiek. Wel gaf hij me de gouden tip om een kort verhaal op te sturen naar een tijdschrift en zo voet aan de grond te krijgen. Dat werkte.’
‘Op school was ik al veel aan het schrijven, later studeerde ik filosofie en geschiedenis en schreef daarnaast ook. Soms word ik gewoon wakker met een zin in mijn hoofd en moet daar iets mee doen. Anderen gaan tennissen, bij mij wordt het rustig in mijn hoofd als ik ga tikken. Het verhaal schrijven gaat dan vanzelf. Het is een beetje als zo’n Rorschach vlek die in de psychiatrie wordt gebruikt. Eerst is het een onduidelijke vlek die even later opgepoetst moet worden en geschuurd. Pas veel later denk je na over ontwikkeling van personages en thematiek.’
In de verhalen van Huff staat het bol van de seks, zoals het een jonge mannelijke schrijver betaamt. Een anale seksscene die je niet snel vergeet, een pedoseksueel die een afspraakje probeert te maken of een man die geilt op zijn overbuurvrouw. Maar in Dagen van gras komt op een keer aftrekken na geen seks voor. ‘Seks is een belangrijk onderdeel van het leven dus daarmee een logisch onderwerp in een boek. Maar Ben is nog niet zo mee bezig met seks dus paste het niet in Dagen van gras. Maar ik heb beloofd aan mijn uitgever dat er meer seks voorkomt in mijn volgende boek, want seks verkoopt natuurlijk gewoon. Vrouwen van boven de 35 zijn verantwoordelijk voor 80% van de boekenverkoop in Nederland en die willen blijkbaar seks. ’
Van Huff weten we dat hij 25 jaar oud is, twee ouders heeft, een broer en een zus en met zijn vriendin in Amsterdam woont. Meer krijgen we niet te weten. ‘Autobiografische gegevens zijn zo oninteressant. Ik wil zo veel mogelijk achter mijn boek verdwijnen. Ik vind het niks toevoegen om te weten waar een schrijver geboren is of met wie hij het bed deelt. Het is jammer dat we zo geschoold zijn om altijd maar autobiografische informatie erbij te willen halen. Want het gaat uiteindelijk om de ontmoeting van de lezer met de persoonlijkheid van het boek, niet van de auteur.’
Op zijn Facebook of Twitter is Huff niet zuinig met het delen van tips over mooie muziek of grappige artikelen. ‘Schoonheid delen is toch ook veel interessanter dan biografische gegevens? Dus ik vind het wel boeiend om te vertellen dat ik naar een gaaf concert geweest ben maar niet hoe mijn familie-achtergrond is.’
‘Ik vind die bewondering voor realisme in boeken ook zo vreemd. Bij toneelspelen wordt het als een kwaliteit gezien om een andere wereld te scheppen. Ik bewonder bijvoorbeeld Daniel Day Lewis die per film kan schakelen van een New Yorkse slager, naar een Ierse bokser of een indiaan. Hij trekt volledig de huid aan van zijn personage. Dat is toch fantastisch? Waarom is de trend bij boeken dan nu dat het alleen maar mooi of goed is als we weten dat het echt gebeurd is? We zitten nu in een memoirehype waardoor elk boek waar op de achterflap staat dat het echt gebeurd is, goed verkoopt. Dat is ook het geheim van Kluun. We moeten allemaal huilen omdat we weten dat zijn vrouw echt overleden is aan kanker. Dat we van iedere waarheidspretentie helemaal niet zo zeker hoeven te zijn bewees Maria Mosterd van Echte mannen eten geen kaas. Haar verhaal over haar leven als prostituee bij een loverboy bleek bij nader inzien ernstig aangezet. En toen vond iedereen het ineens een kutboek. Terwijl het dat echt al lang was. Zij bezweek onder de gangbare opinie dat je iets moet hebben meegemaakt om er over te kunnen schrijven. Ook om die reden hou ik mijn privéleven voor mezelf. Ik weet dat mijn verhalen fictie zijn maar niet iedereen beseft dat de ‘ik’ in mijn boeken niet gelijk staat aan Philip Huff. Ik sloof me niet uit op een kort verhaal om te bewerkstelligen dat er mensen aan mijn vriendin vragen of ze zo graag in haar reet geneukt wil worden. En dit naar aanleiding van een verhaal over een man van vijftig en zijn vriendin. Dat vind ik vermoeiend. Mijn vak is juist om fictie geloofwaardig te maken: dat het narratief in het boek gebeurt en overtuigt. En wat met de lezer doet. Ik vind het interessant om een pedoseksueel neer te zetten op zo’n manier dat je het gelooft. Het is voor mij ook boeiend om me in zo iemand te verdiepen en proberen te begrijpen. Je kan een karakter maken op papier. Huff pakt weer een voorbeeld uit de boekenkast. ‘Fitzgerald is wel heel cliché. Neem dan Disgrace van Coetzee. Hierin wordt de hoofdpersoon overvallen en in brand gestoken, zijn dochter verkracht en zijn honden doodgestoken. Uit het lezen van de achterflap kun je niet opmaken of hij dit heeft meegemaakt of niet maar het is zo knap beklemmend opgeschreven dat je het direct gelooft.’
Ben bewondert zijn beste vriend Tom want Tom doet de dingen die Ben niet durft. Dat is een dynamiek in jongensvriendschappen die bij veel jongens bekend is, ook bij Huff. ‘Ik keek zelf op tegen oudere broers van vriendjes van me die coole dingen deden als brommer rijden en sigaretten roken op de hei. Het echte bewonderen ben ik een beetje verloren, maar ik heb wel het idee dat sommige personages in boeken maten van me zijn. Zo wil ik soms denken dat Koekebakker uit de Uitvreter van Nescio een goede vriend van me had kunnen zijn. Maar ook het ventje uit the God Boy van Ian Cross zou ik denk ik goed kunnen begrijpen. En ik geloof dat als ik met Theo Maassen of Huub van der Lubbe in de kroeg zou zitten we wel een boom op zouden kunnen zetten. Of ze me mogen bellen? Natuurlijk. Maar mailen mag ook hoor. Mijn mailadres staat gewoon op mijn site.’
(Verschenen in HP/De Tijd van 18 juni 2010)
Wijkagent René Brugman leerde cocaïneverslaafde Wolter Jagt kennen na een melding van huiselijk geweld. Inmiddels is Jagt van zijn verslaving af en schrijven ze samen een boek over hun ervaringen.
Als Brugman de eerste keer in de flat van Jagt komt kijken treft hij daar een grote bende aan. En een ongewone junk. “Ik ben in mijn bijna dertig jaar als politieagent natuurlijk met genoeg verslaafden in aanraking gekomen maar ik kwam er nog nooit een tegen die zo welbespraakt en beleefd was als Wolter.” Brugman komt vaker op bezoek, want na meldingen van huiselijk geweld komt de wijkagent altijd even poolshoogte nemen. Wolter heeft een vriendin met een kort lontje, en het heftige cocaïnegebruik van beiden maakt dat het huisraad nog wel eens door het appartement vliegt.
Nu schrijven de twee samen een boek, over de belevenissen van een Amsterdamse wijkagent in Buitenveldert die telkens weer het pad kruist van die ene cocaïneverslaafde. Hij raakt gesteld op Wolter en hoopt hem te kunnen helpen. Maar Jagt slaat alle hulp af. Terwijl wijkagent Brugman een zwerver aan een huis probeert te helpen, ligt Jagt weer op een matras in een vies drugspand coke te roken.
Brugman is het type recht door zee eerlijke politieagent met de ambitie de wereld een stukje veiliger te maken. Jagt een innemende man die zich bewust is van de schade die hij heeft aangericht aan zichzelf en zijn omgeving. Of, in de woorden van Brugman: “Een man met een hoge gunfactor, maar met een groot probleem.”
De eerste ontmoeting was voor Brugman exemplarisch. “Op weg naar een berucht adres verwachtte ik een geweldenaar aan te treffen. Maar de deur werd opengedaan door een man die de discussie niet uit de weg ging en haarfijn kon uitleggen waar het probleem zat: in cocaïnegebruik. Daarbij kwam dat bij geweld tussen een koppel eigenlijk altijd de man mee wordt genomen naar het politiebureau. Maar in dit geval was zijn vriendin minstens zo agressief.”
Jagt is altijd op zoek geweest naar spanning. Zo kwam hij ook voor het eerst in aanraking met coke. “Twee mooie dames in de kroeg beloofden mij een geweldige avond, die eindigde in een spannende nacht met veel wit poeder. Dat smaakte naar meer, en al snel gebruikte ik ongeveer vijf gram per dag.” Jagt hoefde dankzij zijn eigen kledingwinkel niet te stelen voor een nieuwe portie coke want met de dagomzet uit de winkel kon hij zichzelf –en diverse vrouwen – van drugs voorzien. Zijn bedrijf, dat hij samen met zijn ex-vrouw en zijn dochter runde, richtte hij hiermee wel te gronde. Hij gaf zo’n 250 euro per dag uit bij zijn dealer. Ondertussen functioneerde hij maatschappelijk nog redelijk. Toch ging hij naar de meest aftandse panden om zijn coke te halen. “Daar zaten de dealers met het beste spul.”
Hij beleefde wilde nachten in obscure achterafkamers met dames die hun eigen drugs niet konden betalen. “Er zijn vrouwen in Amsterdam met goede banen, een prima appartement en een leuke auto voor de deur die nauwelijks of geen geld meer hebben voor cocaïne. Ze zijn daardoor genegen seks aan te bieden in ruil voor cocaïne.”
Elke dappere poging van zijn ex-vrouw of zus om hem te helpen liep op niets uit. Hij verdween in een lunchpauze om coke te scoren, of pakte midden in de nacht de auto. Dat hij een vriendin had die er ook niet voor terugdeinsde om zijn huis kort en klein te slaan als hij geen drugs regelde, hielp ook niet mee. Brugman zag het met lede ogen aan en probeerde hem waar mogelijk te helpen.
Na twee jaar heftig cocaïnegebruik zag Jagt het leven niet meer zitten en sprong hij van driehoog naar beneden. Brugman hoorde via de politie van zijn zelfmoordpoging en kwam op bezoek in het ziekenhuis. “Ik was ervan overtuigd dat hij het niet zou overleven maar wonder boven wonder kwam hij erbovenop.”
Jagt zag het als falen dat ook zijn zelfmoord niet gelukt was. “Ik was psychisch een wrak, maar als je dan toch leeft, is het wel leuk dat René op bezoek komt.”
Sinds zijn sprong heeft Jagt geen cocaïne meer aangeraakt. De heren hopen met hun boek ook anderen te waarschuwen. “Veel mensen beseffen niet hoe allesvernietigend die drug is,” zegt Jagt. “En hoe veel coke wordt gebruikt. Ik heb de netste mensen in keurige pakken zien gebruiken op een matrasje in een lege junkenflat.”
Toch krijgt Jagt nog steeds een glimlach om zijn lippen als hij vertelt over de werking van coke – “Je zit ineens op een roze wolk” – of over de Vechtstraat. “Daar zit een bekende dealer. Elke keer als ik daar langs kom, kijk ik toch even omhoog.”
Het boek, Tagliatelle met zalm – de kant-en-klaarmaaltijd die opvallend vaak figureert in het boek – heeft nog geen uitgever, al heeft hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie Bernard Welten toegezegd een voorwoord te zullen schrijven. Een hoofdstuk staat nu op Tenpages.com, een site waar lezers aandelen kunnen kopen van een nog te publiceren boek. Als er tweeduizend aandelen van vijf euro zijn verkocht, wordt het boek gedrukt. Brugman en Jagt bespreken eens per week de vorderingen van het manuscript. In 2008 begonnen ze met schrijven, maar met name voor Jagt was het moeilijk alles op papier te krijgen. “Ik zat vaak met tranen in mijn ogen te schrijven.”
Verschenen in het Parool op 26 maart 2011
Italiaanse charme in Amsterdamse kapsalon
Zaterdag half drie in de Amsterdamse kapsalon van Salvatore Zeno. Het werk wordt even stil gelegd. De kapper stopt met knippen, de dame met kleur in het haar rukt zich los van haar Privé en de klant die net geknipt en gewassen is blijft nog even hangen. Eigenaar Salvatore laat zijn Italiaanse gastvrijheid zien en gaat een broodje halen voor personeel én klanten.‘Iedereen moet lang wachten en heeft toch honger. Een broodje halen is dan het minste wat ik kan doen.’
Al vijfendertig jaar heeft hij zijn kapsalon aan de Amsterdamse Ceintuurbaan. Zijn carrière begon echter in Napels. In de zomer had hij veel klanten maar in september gingen de toeristen naar huis en de kapsalon dicht. De negentienjarige Salvatore besloot daarop samen met een vriend op de bonnefooi naar Nederland te gaan. ‘Dit was een geweldige tijd. Je komt uit het strenge Italië terecht in Amsterdam, een stad waar alles kan.’
‘Hier nog een beetje meer er af, Pap. Alleen aan één kant.’ Het is het eind van de middag in de kapsalon en vader Salvatore volgt de instructies van zijn zoon Valerio geduldig op. Ook al is hij het met de coupe niet eens. Zijn zoon, die bekend is als presentator bij TMF en BNN, wordt graag geknipt door zijn vader omdat hij dan precies kan zeggen hoe hij het hebben wil. ‘Ik ben ook wel eens naar de exclusieve kapsalon Toni en Guy gegaan, maar daar luisteren ze toch niet goed naar me.’
Italiaanse perfectie
Van buiten kun je niet vermoeden dat er op Ceintuurbaan 438 een kapsalon zit. De etalage ligt vol met Ferrari parafernalia. Bij binnenkomst stuit je op een Formule 1-pak en een etalage met vele schaalmodellen. Eén foto laat zien hoe blij prins Bernhard is met een mini Ferrari die Zeno voor hem had laten maken. Via klanten krijgt of koopt hij vele Ferrari spullen. In de kapsalon staan een formule 1 band die een klant ooit wilde kopen. Ook al bood deze 700 euro, hij gaat niet van de hand. Pas als je verder loopt zie je de spiegels, wastafels en kappersstoelen tussen de Romeinse zuilen en besef je dat je hier terecht kunt voor wassen, knippen of een coupe soleil.
Plotseling rent Zeno naar buiten. Zoon Valerio wijst hem waar een mooie Ferrari voor het stoplicht staat. Samen genieten vader en zoon even van het mooie uitzicht op de gestroomlijnde wagen. Ferrari is voor hem de grote passie die met de paplepel werd ingegoten. ‘Mijn eerste woord was mama en mijn tweede Ferrari.’ Het gezicht gaat glimmen en de ogen stralen wanneer de Nederlandse Italiaan praat over Italiaanse auto’s. ‘Die hebben gewoon iets meer; de vormen, het design, alles is perfect.’ Twee keer probeerde hij het met een Jaguar maar houdt het sindsdien toch bij Italianen.
Iedere ochtend en iedere avond kijkt hij even naar haar, zijn ‘schatje’ de Alfa Romeo Giulietta. Dat is zijn grote liefde, naast zijn vrouw en kinderen wordt er haastig aan toe gevoegd. Hij zorgt dat de auto altijd schoon en opgepoetst is en kan uren naar haar kijken. De vorige auto, een Ferrari 308 GTS, woonde graag in een garage en is de reden dat de Italiaanse Hollander, ondanks zijn grote liefde voor Amsterdam, in Almere is gaan wonen.
Net als van zijn auto’s verwacht hij het hoogste en het mooiste van zijn kinderen. Zeno is trots op zijn beroemde zoon. ‘Maar als vader blijft het ongelofelijk om te zien hoe veel aandacht Valerio als BNN presentator krijgt. Ik prent hem altijd goed in dat hij aardig voor zijn fans moet zijn. Voor ons verandert er verder weinig. Alhoewel, onbekende telefoonnummers worden niet meer opgenomen.’ Ook voor zijn dochter Silvana heeft hij bewondering. Met een Gucci-tasje en op hakken tussen de helmen rondlopen op een metaalmechanisch bedrijf, je moet het maar durven. Als Italiaanse family man kijkt hij uit naar kleinkinderen. Maar beide kinderen zijn vrijgezel dus het Zeno-nageslacht zal nog even op zich moeten laten wachten.
Complimenten van de macho
‘Ik maak een vrouw graag een compliment, is dat macho?’ De vraag of hij nog Italiaanse machismo in zich heeft, vindt Salvatore lastig. Een echte Italiaan is hij na jaren in Nederland nog wel. Hij koestert zijn familie en behandelt zijn klanten met veel Italiaanse gastvrijheid. Zijn huwelijk van zevenendertig jaar kent natuurlijk ups en downs maar liefde buiten de deur zoeken was toch nooit een optie. ‘Hoe ouder je wordt, hoe meer eenheid je creëert in je huwelijk,’ vindt hij.
Berlusconi is geen lieverdje, maar ‘politiek in Italië is allemaal even fout.’ Zodra de politiek ter sprake komt, komen ook de wilde handgebaren. ‘Berlusconi is een waanzinnig onhandige politicus. Maar de oppositie komt jammer genoeg nooit met goede argumenten, en wil hem alleen in de val wil lokken met mooie vrouwen.’ Met opgewonden stem: ‘zowel links als rechts is vooral fanatiek in het beledigen van elkaar, met politiek bedrijven zijn ze niet bezig.’ Zeno heeft de afgelopen jaren dan ook geen een keer de moeite genomen om te stemmen in het land waar hij nog steeds een paspoort van heeft.
Liever een bord spaghetti dan aardappels
‘Ik voel me sinds dag één thuis in Nederland. Maar ik blijf een Italiaan in Nederland en een Hollander in Italie.’ Hij kan dan ook niet stoppen met de loftrompet steken op Nederland. ‘Er is vrijheid, je krijgt subsidie en het sociale vangnet is goed geregeld. Hoe kun je in godsnaam klagen over dit land?’ Hij begrijpt totaal niet waarom Nederlanders niet trotser zijn op hun eigen land. ‘Alleen het weer valt te bekritiseren misschien. En ’s avonds eet ik liever een bord spaghetti dan aardappels met jus.’
De Italiaanse kapper spreekt met zijn klanten de hele dag Nederlands, zijn tweede taal. En ook al doet hij dit al veertig jaar, het Nederlands rolt uit zijn mond met een zwaar accent. ‘Ik ben nooit naar school gegaan om Nederlands te leren en mijn klanten hebben me nooit verbeterd. Ik denk dat ze het wel charmant vinden.’ Zelfs met zijn kinderen spreekt hij alleen maar Nederlands. ‘Valerio stopte vroeger zijn vingers in zijn oren als ik Italiaans tegen hem sprak.’
Hij groeide op in het zuiden van Italië waar grote armoede heerst en veel werkloosheid is. De maffia tiert er welig, maar daar raak je aan gewend. ‘Je ziet een dode op straat en loopt door. Net als dat ik voor het eerst in Nederland drie keer vol verbazing voor de etalage van de seksshop keek, deed ik dat de vierde keer niet meer. Het wordt normaal.’ Zo kom je zelf gemakkelijk in de verleiding van macht en geld. Een keer een snoepje jatten is niet erg maar toen zijn maten hem vroegen om mee te helpen een benzinepomp te overvallen ging dat hem te ver. Sindsdien heeft hij zich afzijdig gehouden van bepaalde vrienden. ‘Veel van die vrienden zijn nu dood of in de gevangenis. Als ik terug ben in Italië moet ik soms oppassen met wie ik afspreek. Voor je het weet zit je midden in een afrekening een kogel op te vangen.’
Salvatore Zeno wordt dit jaar zestig en leeft à la minute. ‘Het is beter rijk te leven, dan rijk te sterven toch?’ Nederlanders zijn in dat opzicht wat hem betreft te zuinig: ‘Als ik een Ferrari wil hebben moet ik die nu hebben en niet als ik tachtig ben.’
Vier boterhammen liggen op het bord van Arno Bonte, lijsttrekker voor GroenLinks in de Rotterdamse gemeenteraadsverkiezingen. In verkiezingstijd heeft Bonte weinig tijd voor ontbijten dus nu worden de boterhammen synchroon met jam besmeerd.
De 31-jarige lijsttrekker is een rijzende ster; hij is genomineerd voor de verkiezing van het ‘beste raadslid van Nederland 2009’. Bang om zijn kwaliteiten te verwoorden is Bonte dan ook niet. ‘Ik ben bedreven in het hele spectrum,’ zegt hij. ‘Ik kan raadsdebatten voeren en een wethouder het vuur aan de schenen leggen maar tegelijkertijd ook ludieke acties doen. Gisteren nog was ik bij een actie tegen de bomenkap in Alexanderpolder. We hebben ons vastgeketend aan de bomen.’ Hij denkt dat zijn diversiteit wel eens te maken kan hebben met zijn leeftijd. Hij is wendbaarder en neemt alles iets minder serieus dan zijn collega-lijsttrekkers van hogere leeftijd.
Toen hij twaalf jaar oud was kwam er een actievoerder van Greenpeace bij hem in de klas. De spannende verhalen over acties tegen walvisvaarders deden het vuur in hem ontbranden. ‘Waarom is er niet een soort van regering die hier iets aan kan doen?’ dacht Bonte. Bij veel kinderen is het meeleven met dieren en milieubewustzijn een tijdelijke obsessie, bij Bonte bleef het. Hij noemt het zelf ‘een kinderlijke impuls’ die hij nog steeds bezit. ‘Als kind zie je meer het algemeen boven het persoonlijk belang. Het lijkt alsof bij het volwassen worden veel mensen steeds meer het persoonlijk belang prevaleren boven het algemeen belang.’
Een beter milieu begint niet bij jezelf maar bij de overheid
Een beter milieu begint bij jezelf vindt Bonte de slechtste milieucampagne ooit. De verantwoordelijkheid voor milieumaatregelen ligt namelijk niet bij de burger volgens Bonte, maar bij de overheid. Je moet het de burger gemakkelijk maken om milieubewust te zijn. Hij ergert zich bijvoorbeeld wild aan verpakkingen in de supermarkt. Bonte zou graag zien dat milieukosten hiervan in de producten worden doorberekend. Dat milieubewustheid juist vanuit de consumenten zelf moet komen, daar gelooft hij niet in. ‘Het gros van de mensen wil wel milieubewust zijn, maar slaagt daar niet in. Hen moet het makkelijk gemaakt worden.’
Maar het allerbelangrijkst voor deze verkiezing vindt Bonte de nadruk op onderwijs. Als het aan GroenLinks ligt, wordt hier dan ook niet op bezuinigd. Er moeten juist 25.000 nieuwe taalcursussen komen. Verplichten van deze cursussen hoeft niet, er zijn genoeg mensen die staan te springen om zo’n cursus, volgens Bonte.
Liever één goede buurtagent dan honderd camera’s
Waar wel acuut op bezuinigd mag worden van Bonte is de camera’s die toezicht moeten houden. ‘Liever één goede buurtagent dan honderd camera’s’. Het is een illusie dat camera’s de straat veiliger maken, denkt hij. Je veroorzaakt slechts een verplaatsing van het probleem: drugsdealers gaan gewoon om het hoekje staan.
Ook een belangrijk speerpunt van Bonte is het planten van 100.000 bomen om de stad groener en zo leefbaarder te maken. ‘Meer groen maakt gelukkiger en veiliger.’ Dit onderwerp heeft evenveel prioriteit als andere heikele onderwerpen als integratie en veiligheid. Aan de keus tussen één buurtagent of honderd nieuwe bomen wil Bonte zich dan ook niet branden.
Uitgestorven binnenstad
Bonte woont al zeven jaar aan het Kruisplein. Hij gunt het vele anderen om ook in de binnenstad te wonen. De Rotterdamse binnenstad wordt nu gedomineerd door kantoren en winkels en is ’s avonds uitgestorven. Er werken nu 80.000 mensen in de binnenstad en wonen er slechts 30.000. Bonte wil dat er geen kantoren meer gebouwd worden, maar woonhuizen voor jongeren en starters en dat leegstaande kantoorgebouwen omgebouwd worden tot studentenhuis.
Op de agenda van Bonte staan verder vandaag drie interviews, een werkoverleg met de fractie en een met ambtenaren over een initiatief raadsvoorstel. Eten gebeurt even tussendoor en ‘s avonds staat er een dubbele afspraak, ziet Bonte nu. Zijn agenda houdt hij namelijk niet zelf bij.
Een beschuitje eten met… Carrie
Ik eet iedere ochtend een eitje en een sinaasappel. Het zal wel slecht voor mijn cholesterol zijn maar het gaat al zesenvijftig jaar goed. Terwijl twee siamezen voortdurend van de ontbijttafel worden geduwd, wordt snel duidelijk dat Carrie Jansen zich een echte Rotterdamse voelt. ‘Het is gewoon handig om duidelijk te zijn.’
Rotterdam kent Carrie als de eigenzinnige columniste in het AD, de Straatkrant en radioprogramma Spijkers met koppen. Ze schrijft boeken, heeft een kledingzaak en houdt zich al jaren bezig met vrouwenprojecten. In 2005 begon ze aan een rechtenstudie en per 1 maart start ze als advocate.
Van stilzitten houdt Carrie niet. ‘Vrouwen die op hun vijfenvijftigste stoppen met werken, zoals mijn zus, begrijp ik niet. Want bridgen en wandelen met de hond daar pas ik voor.’ Ik was vijftig en gaf mezelf een cadeautje, namelijk een rechtenstudie. Op aanraden van mevrouw Opstelten, die zelf op latere leeftijd rechter is geworden, ben ik gaan studeren.
Bij het Advocatencollectief is Carrie begonnen als advocaatstagiair. Bij dit advocatenkantoor vindt ze de bevlogenheid die ze zelf ook heeft. De hulp aan een cliënt houdt hier niet op na de rechtszaal. ‘Als een zaak verloren is maar we denken dat de cliënt toch nog hulp nodig heeft dan zoeken we samen naar een oplossing. Verder zijn een goede column en een pleidooi eigenlijk hetzelfde. Van Nico Haasbroek kreeg Carrie als beginnende columnist haar gouden tip dat voor beide genres geldt: ‘zorg voor een pakkende beginzin, een pakkende eindzin en een goed verhaal er tussenin.’
Wat opvalt in het leven van Carrie is de voortdurende sociale bevlogenheid. Ze is de bedenkster van ‘Koninginnen van de nacht’. Een catwalk met dakloze verslaafden zette de schijnwerper nu eens in positieve zin op de tippelaarsters van de Keileweg. ‘Met de meeste van deze dames gaat het nu goed,’ vertelt Carrie. Ze zijn nog wel verslaafd maar hebben nu hulp en een toekomst.
Het afgelopen halfjaar heeft Carrie zich gericht op tienermoeders. Ook zij hebben niet een imago om over naar huis te schrijven. Veel tienermoeders zijn boos over het beeld dat jong een kind krijgen als een probleem wordt gezien. Met stichting ArosA is ze bezig het imago en het zelfbewustzijn van tienermoeders op te krikken. Door radio te maken, een soap te produceren, een gala te organiseren en een filmpje te maken met deze jonge moeders zet ze ze zelf aan het werk. De jonge moeders vinden het leuk om te laten zien dat het jonge moederschap ook positief kan zijn. Ze benadrukken in het eigen gemaakte filmpje dat je moet genieten van je kind maar ook je school af moet maken.
Bij de komende gemeenteraadsverkiezingen gaat Carrie SP stemmen. Een klassieke tegenstem. PvdA is te draaikonterig en Groenlinks is ideologisch ok maar maakt de verkeerde beslissingen. ‘Daarbij kom je overal waar hulp nodig is de SP tegen’ volgens Carrie. De partij is weliswaar veel te strak georganiseerd maar omdat ze toch de juiste beslissingen maken krijgt de SP op 3 maart Carrie’s stem.
Voor de verkiezingen ziet Carrie het grootste onderwerp in onderwijs en zorg. ‘Je schrikt toch als MBO-leerlingen gaan demonstreren voor meer lesuren?’ Ze vindt dat de slechte MBO’s echt afgestraft moeten worden. Gelukkig zijn er ook goede voorbeelden in de sector te vinden. Het scheepvaart- en transportcollege gaat bijvoorbeeld heel goed. ‘En dat terwijl daar toch veel jongens op zitten die een grote potentie hebben om lastig te worden.’ Het geheim van deze school is een ijzeren vuist en bevlogen docenten volgens Carrie.
Net als Lodewijk Ascher denkt Carrie dat de Raad voor de kinderbescherming prima afgeschaft kan worden. Er zijn al veel te veel hulpverleners om moeilijke gezinnen heen. Daarom zou er een voorbeeld genomen moeten worden aan juf Ellie, de vroegere juf van de kinderen van Carrie. Als er iets mis ging met een kind op school riep de juf alle betrokkenen bij elkaar. De ouders, familie, buren en dokter werden bijeen geroepen om samen naar een oplossing te zoeken. In plaats van acht verschillende hulpverleners per kind zou er meer gezocht moeten worden naar oplossingen in de buurt van het kind, zegt Carrie. ‘Het is misschien wel een slecht gezin, maar wel hun gezin.’
‘Als ik er niet warm van wordt, doe ik er niks voor’, omschrijft Carrie haar bevlogenheid. ‘Je hebt een jaar of tachtig op deze planeet, dan moet je er wel wat leuks van maken.’ Gelovigen hebben mij wel eens gezegd dat dit lijkt op hun geloof van het in bruikleen hebben van de planeet. Dat is prima, maar dan zonder God. En al helemaal zonder de kerk.’ Helemaal afkerig van de kerk is Carrie overigens niet, voor de kerkmedewerkers die op zondag soep uitdelen aan daklozen heeft ze wel een goed woord over. Maar als een cliënt God bedankt voor een vrijspraak kan Carrie niet nalaten om te zeggen dat ze dit toch aan de rechtbank te danken heeft en niet aan God.
Op de agenda van deze duizendpoot staat vandaag de viewing van een filmpje van tienermoeders. Ze moet snel weg om voor de eerste keer samen met de tienermoeders te kijken naar het resultaat van dagen film. De film over en van tienermoeders gaat in besloten kring in première.

interview_philip_huff.gif
Je eigen website maken!